Antoon Visser

Wie was Antoon Visser?

 

 

Hier zijn verhaal:

Home

 

Dominee Antoon Visser werd op 23 september 1897 te Antwerpen geboren uit protestantse ouders die behoorden tot de Zendingkerk.

Toen Antoon zes was overleed zijn moeder.

 

Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog in 1914 gaf Antoon Visser zich op als oorlogsvrijwilliger. Hij was dan 17 jaar oud en vierde zijn 18e verjaardag in de loopgraven aan de IJzer. In sommige documentaires over de oorlog 14-18 die werden uitgezonden op TV kan men Antoon Visser zien vertellen over het leven aan het front en in de Dodengang. Daar zag hij dagelijks de dood in de ogen en leerde er ook het "leven" en het "in leven zijn" iedere dag als een genade zien.

 

Hier volgt een voorbeeld, ontleend aan zijn verhalen :

Een groepje soldaten stond rond een vuur, zij waren hun boterhammen aan het roosteren. Mon (Edmond) Wittemans duwde Visser opzij om bij het vuur te kunnen. Ondertussen leverden twee vliegtuigen in de lucht een gevecht. Plots zakte Wittemans in elkaar en riep : Oei! Er kwam bloed uit zijn mond. De legerdokter die er bij kwam zei dat er niets meer aan te doen was. Een kogel had het hart geraakt en was deze niet afgeketst op het sleutelbeen, dan had hij de twee soldaten doorboord.

In die tijd was Karel Blommaert de protestantse legeraalmoezenier aan het front. Wanneer hij achter de linies op bezoek kwam, zo vertelde Antoon Visser, dan ging men samen op de knieën. Dat gaf ruimte en opende alles. Hij zei : Ik was niet bang voor de dood, dat lag in Gods hand. Ik was wel bang om verminkt te worden en zo te moeten verder leven, bijvoorbeeld met één been. De toenmalige taaltoestanden in België, en vooral in het leger, maakten dat Antoon Visser sinds de IJzer zeer bewust als Vlaamsgezinde door het leven ging. Hij had echter wel oog voor de problemen die eigen zijn aan de Vlaamse emancipatie. Hij zei eens toen hij aan de IJzertoren te Diksmuide stond : Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus (AVV,VVK), allemaal goed en wel, maar wat is nu het bepalende ? Gaat het om Vlaanderen of gaat het om Christus ?

 

Na de eerste wereldoorlog, in 1919, ging Antoon Visser studeren voor predikant-evangelist. Eerst aan het Bijbelinstituut van de Belgische Evangelische Zending te Brussel, in het frans. Daarna, toen deze werd opgericht, in het nederlands, aan de Opleidingsschool te Geraardsbergen, die deel uitmaakte van het Silo-werk. Door deze school werd hij spoedig uitgestuurd naar het Kindertehuis (Foyer des Enfants) aan de Beeckmanstraat te Ukkel, een instelling van de "Methodist Mission". Als monitor moest hij daar in de jaren 1921 en 1922 op de jongens letten. Het was in het Kindertehuis dat hij zijn latere echtgenote, Julia Verstreken (geboren in 1902), leerde kennen. Zij was er monitrice voor de meisjes.

Na de studietijd, op 23 januari 1926, traden de beide jonge mensen in het huwelijk. De huwelijksdienst werd gehouden in de Silo-kerk te Laken door ds. Jozef Chrispeels.

 

Antoon Visser had zijn kandidatuur gesteld als zendeling voor Rwanda maar dat was niet doorgegaan. Zo kwam hij terecht bij de Zwitserse "Mission Philafricaine", die hem uitzond naar Angola. In mei 1926, een paar maanden na hun huwelijk, vertrok het echtpaar. Angola was toen een Portugese kolonie. Het arbeidsveld lag te Cucala Etonga. Men moest er vooral een meisjestehuis oprichten en runnen. Om de dorpen rondom te bezoeken kocht Antoon Visser toen een muilezel, die hij fier bereed. Dat was het beste vervoermiddel in die streek. In het gezin werden in die tijd twee dochters geboren, Ruth in 1926 en Helena in 1930. Na zeven jaar arbeid in Angola kwam de familie Visser in 1933 terug naar België om er van een jaar verdiende vakantie te genieten. Wegens de gezondheidstoestand van Julia Visser keerden zij echter nooit naar Afrika terug.

 

De jaren 1934-1937 betekenden een stille tijd voor de familie Visser. Samen hielden zij een familiepension open te Sint-Maria-Horebeke, in villa "Vrede". Tegelijk werd er uitgekeken naar ander werk.

 

In 1937 werd Antoon Visser aangesteld als tweede predikant van de protestantse kerk aan de Brabantdam te Gent (Bond van Kerken). De eerste predikant was toen Edouard Pichal, de latere Synodevoorzitter. De samenwerking tussen de beide predikanten liep niet altijd van een leien dakje. Dit is te begrijpen wanneer men steeds gewoon is geweest om geheel zelfstandig te werken. De klassetegenstellingen binnen de gemeente maakten de dingen echter nog moeilijker. Het uitbreken van de tweede wereldoorlog gaf er nog weer andere problemen bovenop.

 

In 1942, dus in volle oorlog, begon een nieuwe fase in het leven van Antoon Visser. Hij werd benoemd tot directeur van het Kindertehuis aan de Beeckmanstraat te Ukkel, waar hij eerder zijn echtgenote had leren kennen. De opdracht bestond erin te zorgen voor de minder bedeelde kinderen van de Foyer, wat geen sinecure was in die tijd van voedselschaarste. Tijdens de oorlog waren er ook van die mysterieuze telefoontjes : Mijnheer Visser, ik heb een pakje voor U. Het zinnetje was een afgesproken code die betekende : Ik heb weer een joods kind dat in uw instelling verstopt moet worden voor de Duitsers. Via het Kindertehuis werden zo een zestigtal kinderen gered uit de handen van de nazi's.

Lange tijd daarna, in 1965, vereerde Yad Washem in Jeruzalem Antoon en Julia Visser met de medaille der rechtvaardigen en het bijbehorende certificaat. Ook mochten zij een boom planten in de laan der rechtvaardigen van Yad Washem. De geëigende Hebreeuwse uitdrukking voor deze onderscheiding luidt "Chassidé oemot haolam", wat men vertaalt als "de rechtvaardigen uit de volkeren van de wereld". Met deze titel wil het joodse volk de humane houding van niet-joden eren.

Weer veel later, in 1980, heeft de joodse gemeenschap van België het echtpaar Visser met een andere onderscheiding geëerd. De tekst ervan luidt : Le Comité d'Hommage des Juifs de Belgique 1940-1945, a l'honneur de faire savoir que la médaille 'L'entraide' a été attirbuée au "Foyer des Enfants" au cours de la séance solennelle tenue sous le haut patronage de Sa Majesté le Roi en date du 12 octobre 1980, en témoignage de gratitude pour avoir bravé l'occupant nazi en portant aide et assistance aux juifs persécutés.

Wat opvalt in deze zaak is, dat men de joodse kinderen in het Kindertehuis de Christelijke manier van leven niet aanleerde. Openlijk namen de joodse kinderen geen deel aan de protestantse dienst op zondagmorgen. In andere instellingen werkte men doorgaans wel met die uiterlijke assimilatie om zo de aandacht niet op hen te vestigen. Er werd verder geen enkele poging gedaan om de verstekelingen te bekeren, integendeel. Men respecteerde de identiteit van de joodse kinderen, hun godsdienst en hun echte namen, die niet verchristelijkt werden.

In 1953 kwam een einde aan deze bewogen Kindertehuis tijd in het leven van Antoon Visser.

 

De laatste actieve levensperiode van Antoon Visser lag tussen de jaren 1954 en 1967. Hij was toen godsdienstleraar protestantse godsdienst, vooral in het Antwerpse. Iedere dag ging hij met de trein van Brussel (Ukkel) naar Antwerpen. Hij had bijzonder te maken met het zeer jonge Atheneum te Mortsel. Daar heerste een goede ploeggeest en men werkte er enthousiast samen. Door zijn persoonlijkheid en zijn levenservaring had ds. Visser een invloed die veel verder reikte dan die van een gewone leraar.

 

Ook niet-protestantse kinderen volgden zijn les, onder andere om de bijbelse cultuur te leren kennen, die zo belangrijk is voor onze samenleving.

 

De pensionnering kwam op zeventigjarige leeftijd. Toen begon een welverdiende rust die duurde tot de leeftijd van 101 jaar ! Ds. Antoon Visser overleed op 12 augustus 1999, thuis te Ukkel. Ondertussen waren hem zijn echtgenote (1991) en zijn jongste dochter (1992) voorgegaan. Het is met name dank zij de goede zorgen van zijn dochter Ruth, dat hij deze zeer hoge leeftijd heeft bereikt. Hij behoorde daarmee tevens tot het kleine groepje van de allerlaatste oud-strijders 14-18 in België.

 

Tot slot zijn er nog drie kenmerken die de persoonlijkheid, die Antoon Visser was, beschrijven. Het zijn niet zozeer kenmerken die hem worden toegeschreven maar eerder typeringen die hij bij gelegenheid zelf verwoordde.

 

Wanneer men hem vroeg : Wat is het geheim om oud te worden ? Dan zei hij : Het geheim bestaat erin zich geen zorgen te maken voor de toekomst. Men moet bij de dag leven. Dit had hij ongetwijfeld geleerd in de Dodengang aan de IJzer. Iedere nieuwe dag werd ervaren als een geschenk, maar kon tevens de laatste zijn.

 

 

 

Hij typeerde zichzelf verder als een man van de daad, een pragmaticus. Men moet niet te veel speculeren en denken, zei hij, maar gewoon mensen in nood helpen. Daar komt het op aan.

 

Antoon Visser beschouwde zichzelf steeds als iemand die geestelijk thuishoorde bij het Silo-werk. Hij stond open voor allerlei levensbeschouwingen en overtuigingen maar zijn wortels lagen in Silo. Het schriftvers dat hij voor zichzelf aangenomen had getuigt hiervan : Vergetende hetgeen achter mij ligt, en mij uitstrekkende naar hetgeen voor mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Jezus Christus (Filippenzen 3, 14)

 

 

Deze tekst is van een overzicht gegeven tijdens de begrafenisplechtigheid van Antoon Visser.